Een lamp is een samengesteld voorwerp bestaande uit een lichtbron in een armatuur, dat primair wordt gebruikt om ruimten en/of voorwerpen kunstmatig te verlichten.
Het woord "lamp", stamt af van "Lampas", een van de paarden van Eos (mythologie), de Griekse godin van het licht.
De voornaamste toepassingen vallen uiteen in zes hoofdgroepen:
Een lamp heeft als doel een voorwerp of omgeving te verlichten. We spreken doorgaans niet van een lamp wanneer het licht gebruikt wordt voor signaleringsdoeleinden om de mens ergens op te attenderen. Voorbeelden zijn: stoplichten, spoorseinen, of de signaallampen op schakelpanelen en apparatuur.
Het begrip: "lamp", is bij de elektrische vorm verlichting enigszins diffuus. Soms wordt de lichtbron bedoeld (zoals "de gloeilamp"), soms de armatuur (de draagconstructie met beschermde lamphouder van de lichtbron) en soms het decoratieve voorwerp (zoals de staande schemerlamp). Daarom maakt de opmerking: "de bureaulamp is stuk", de situatie niet direct exact duidelijk. De glazen kap kan gebroken zijn, de gloeilamp is stuk of zit er een onderbreking in het snoer. Door te zeggen: "het bolletje van de bureaulamp is stuk", maakt men een duidelijk onderscheid tussen lichtbron en armatuur. Deze begripsverwarring kennen de olie- en de gaslamp niet, omdat daar de lichtbron gevormd wordt door een vlam, eventueel versterkt door toepassing van een gloeikousje, als rendement verhogend middel..
Begrippen die alles te maken hebben met verlichting maar niet (of in minder mate) met het begrip lamp, zijn: Lantaarn, Zaklantaarn, Lantaarnpaal en Noodverlichting.
De oudste lampen waren de olielampen uit het oude Griekenland en Rome, die werden gevoed met olijfolie. Petroleumlampen werden in 1859 geïntroduceerd als opvolger van de olielamp. Daarnaast verscheen in diezelfde eeuw ook de gaslamp, met begin 20e eeuw, de Karbietlamp en de zeer succesvolle Petromaxlamp. Tegelijkertijd deden de prille vormen van elektrische verlichting hun intrede met eerst de booglamp, de Nernstlamp, al vrij snel gevolgd door de ons alom bekende gloeilamp. Deze ontwikkeling sloot goed aan bij het effect op gebruiksvoorwerpen van de tweede industriële revolutie waarbij door de scheiding tussen lichtbron en lamphouder (of armatuur) het onderhoud vereenvoudigd werd, maar ook de decoratieve kunst beter (en vooral goedkoper) kon worden toegepast. Zo ontstonden voor de verlichting binnenshuis naast de plafonnière en de hanglamp, ook de tafellamp, de bureaulamp, de (staande)schemerlamp en de kroonluchter.
Tegenwoordig wordt elektriciteit het meest gebruikt als energiebron voor verlichting waardoor men in deze groep, voor de lichtbron, de meeste diversiteit aantreft qua methoden, technologieën en ontwikkelingen.
Op dit moment zijn er vier hoofdgroepen te onderkennen, welke hieronder (vergezeld van enkele voorbeelden) zijn opgesomd.
Bron: Wikipedia